Terug naar Japan

Anne Sey, japanoloog, is vele malen in Japan geweest. En toch, de eerste ontdekkingen door westerlingen van dit eilandenrijk meer dan vier eeuwen geleden – niet meer in te halen. Hopeloos te laat. Dat gevoel blijft knagen. Alsnog wil zij een voet tussen de deur van de tijd krijgen. Met de frisse blik van een ontdekkingsreiziger ervaren hoe dicht zij bij haar geliefde Japan kan komen. Het oude Japan, toen daar de eerste westerlingen aan wal stapten.

In dit blogje vind je een hoofdstuk uit Anne’s boek “Terug naar Japan” – hier te bestellen!

Dit is toch een van de leukste dingen van een ontdekkingsreis: een slaapplek regelen. Ik weet al hoe en waar. Bij die ene tempel die tientallen meters verderop verscholen staat tussen gigantische bomen. Daar ga ik mijn geluk proberen. Een tempel met zo’n enorm, gebogen dak moet welhaast een veilige plek zijn. Kwade geesten kunnen daar geen kwaad doen. Kwade geesten bewegen slechts in rechte lijnen. Bochten nemen is niet zo hun ding. In Japan dan. Hoe ze dat wel bij ons in Europa doen?

Ik ga mezelf aan deze tempelbewoners als gast aanbieden. Vrijwillig. Laat ik kijken hoe het gesteld is met de vrijgevigheid: de eerste van de tien boeddhistische volmaaktheden. Zo kunnen de monniken
onbeperkt op mij oefenen en nog vertrouwder raken met het goed bewandelen van het boeddhistische pad. Een tempel —- waarom zou deze een uitzondering vormen — is immers een zonder meer vrijgevige plek. ‘Vrijgevig zijn en elkaar helpen en schuldeloos zijn in je daden is de weg naar geluk’, zegt Boeddha.

De twee monniken zijn nog jong. Misschien achttien a twintig jaar. Gretig en meteen te porren voor een avontuurtje. De ene loopt enthousiast voorop, de ander hobbelt vrolijk achter mij aan. Met veel gegiechel en geschater leiden ze mij in ganzenpas door eindeloze gangen. We lopen over geboende, af en toe krakende planken van zwaar hout. Komen langs hoge, door de tijd donkerbruin verkleurde pilaren. Steken bruggetjes over die de verschillende gebouwen met elkaar verbinden. Geen plekje in dit doolhof blijft ongezien.

Ik piep de meditatieruimte binnen. Door de papieren schuifdeur — shoji — komt nauwelijks een straaltje zon. Voor de langwerpige achterkant van de ruimte liggen kussentjes, netjes op een rij. Verder is de ruimte volkomen leeg en ontdaan van elke prikkel. Zo minimaal minimalistisch ingericht dat ik me afvraag of dat niet juist prikkels oproept. Urenlang in meditatiehouding moeten zitten op een kussen met de dikte van amper een duim. Links en rechts van jou de makkers met wie je net nog grappen maakte. En ineens doen ze doodstil en serieus. Af en toe zit iemand te knikkebollen. Voordat je hem kunt waarschuwen, geeft het tempelhoofd met een lange houten lat een mep op zijn rug. Een kanjer die niet in de lach schiet.

Voorzichtig openen de monniken voor mij de schuifdeuren van de ceremoniezaal en sluiten die achter me. Een schemerdonkere ruimte met in een hoek stapels kussentjes. Voor het altaar staan metalen
wierookvaten en zwartgelakte sutrahouders. Op een met oranjekleurig zijden brokaatweefsel bedekte poef ligt een klankschaal. Wierookhouders op tafeltjes. Offergaven van fruit in piramides opgesteld. Van de straat komt geen enkel geluid. De lucht bedompt alsof die een textuur heeft, stoffig en zwaar. De geur van wierook is opdringerig aanwezig. Hij vermengt zich met die van muffig textiel en hout.

Afwezigheid van geluid, dompige lucht, schemerlicht — alsof een zware deken over mij heen valt, die de voedingsbodem ontneemt aan mijn springerige gedachten en mijn impulsieve bewegingen intoomt.
Ik voel me week. Krijg behoefte om te gaan zitten en me over te geven aan rust, roes en euforie. Mijn lichaam geeft me te verstaan dat het in het vooruitzicht van deze verlokkingen niet langer rechtop wenst te blijven. Mijn verstand wil net inschikken als de schuifdeur opengaat. Frisse zuurstof kietelt mijn hersenen. Ik kom weer tot mijn atheistische positieven.

Ik heb nauwelijks tijd om bij te komen van deze bijna spirituele ervaring of het gaat verder door de eindeloze vertrekken. Langs de bezoekersruimte, een studeerzaaltje, de opslag voor allerhande in dozen verpakte spulletjes, een slaapkamer, de keuken… Onvermoeibaar trekken de kerels voor mijn nieuwsgierige ogen de ene schuifdeur na de andere opzij. Op het laatst gooit een van de monniken parmantig de deur van een houten latrine open. Hij wijst met een brede grijns op het gat in de plank: ‘Moeilijk mikken als het koud is.’ We gillen het eruit.

Ze lijken een kopie van elkaar, deze twee. Op hun dikkige, bijna vadsige gezichten zit een gezond blosje. Hun kale kopjes glimmen in het wittige lampenlicht. Coupe biljartbal. De donkerbruine monniken-
jassen verbergen amper hun breed bemeten heupen. Niet voor niets is het oranjekleurige stoffen band om de buik op de groei gemaakt. De broeken hebben wijde en net te korte pijpen. Tussen tabi-sokken en broekspijpen piepen behaarde, dikkige onderbenen tevoorschijn. De monniken stellen zich voor als Kozo en Dozo. Ze laten me mijn naam in het Japans opschrijven: ‘Anne’. Een prima naam vinden ze. Een naam moet goed in het gehoor liggen en gemakkelijk te onthouden zijn.

Hoe anders de ervaring van Kaempfer tegen het einde van de 17“ eeuw tijdens een van zijn twee hofreizen. Een edele heer aan het hof van Edo, het huidige Tokyo, vraagt hoe de kapitein van het VOC-schip heet en schrijft deze naam vervolgens op zijn haakbus. Terstond verbiedt een hooggeplaatste Japanse ambtenaar vanaf nu dat Kaempfer en de andere leden van de Hollandse delegatie hun namen verklappen.

Nog geen honderd jaar later gaat het er al anders aan toe. Op hun eigen verzoek krijgen enkele Japanners van de opperhoofden en medewerkers van de Hollandse nederzetting in Nagasaki Nederlandse namen. Vier Japanse artsen bijvoorbeeld laten zich vol trots “Pieter Gezond”, “Willem Beterschap; “Cornelis Hersteld” en “Flip Genezen” noemen. Een kok heet “Lodewijk Smulgraag”, een astronoom “Globus”. De namen van enkele echtgenotes van hoogwaardigheidsbekleders: Lijsje, Anna, Carolina en Charlotta. Het kan verkeren.

Kozo en Dozo gedragen zich als volleerde gastheren. Ze dirigeren me naar een laag tafeltje, laten zich neervallen op de kussens ervoor en duiden me aan hetzelfde te doen. Of ik een kopje koffie wil. Ze hebben ergens Nescafé en er zijn nog wat koekjes. Misschien wil ik eerst mijn handen wassen? Ze vragen me waar ik vandaan kom. Warempel, ze vragen niet eens of ik Amerikaanse ben. Ergens toveren ze een plattegrond van Kyuashi vandaan en ineens zitten we in een levendig gesprek over de beste fietsroute. De monniken geven me gelijk: die gaat onderlangs de bergtoppen. Zo dicht mogelijk tegen de kust. Ruiterlijk geven ze toe dat ze al die plaatsen nooit van hun leven hebben bezocht. Geen idee of het de moeite waard is. Afijn, zolang het niet over de bergtoppen moet. Kijk eens, we zijn het roerend eens over gemakkelijk reizen. Ik begin ze nu echt sympathiek te vinden. Waar ik dan vannacht ga slapen, vragen ze me. Ik wijs naar buiten. Wellicht achter hun latrine? Ze bulderen van het lachen. Achter de latrine slapen geeft geen pas.

Voor de goede orde bellen ze hun baas. Het blijkt zowaar een begripvolle man die weinig uitleg behoeft. Enkele ogenblikken later kijken vier monnikenogen toe hoe ik de tent opzet. Ze vinden het allemaal wonderlijk. Dat zou ik in hun plaats ook doen. Ikzelf heb geen schroom om kwartier te maken op het enige vlakke stukje tempelgrond: midden op het zandweggetje dat naar de minimalistische tuin achter op het terrein leidt.

Een plaatselijk VV V-foldertje prijst Imari aan: “Daar waar de reis begint. Dat lijkt me aardig te kloppen. Zo’n vierhonderd jaar geleden was Imari via zijn haventje met de wereld verbonden. Hier verscheepten ze aardewerk en steengoed. Later ook porselein dat inwoners van Imari en het nabije gehuchtje Arita produceren.

Als ik nu op internet kon checken wat Imari tegenwoordig de toerist te bieden heeft, dan had ik het volgende geweten: “Bekendheid als reisdestinatie (0-20): 0 (lokaal). Toerisme in Imari: weinig. Populariteit onder backpackers/individuele reizigers: geen data.’ Maar ik heb geen smartphone voor internet op zak. Trouwens nergens voor nodig. Een rondje fietsen en ik weet: Imari is inderdaad niet wat je noemt een trekpleister. Behalve misschien de vele bruggen, die de stadshelften verbinden. Op zijn minst vier daarvan kunnen zich wél beroemen op enige toeristische kwaliteit. Vind ik tenminste.

De eerste brug die ik vanuit het stadcentrum oversteek, heet Imaritstu Ohashi. Halverwege doemt plotseling en pontificaal een heuse porseleinen vaas op. Bijna een meter hoog, in de voor Imari-porselein typerende kleuren blauw, groen en goud. De vaas staat daar in haar eentje, en in de stortregen die zich sinds enkele minuten helemaal laat gaan boven Imari. Iets aan die vaas klopt niet. Zijn het de proporties?De patronen? De ongewone plek? Ik vervolg mijn weg over de brug, rij een stukje langs de oever en steek de volgende brug over, terug naar het stadcentrum.

***

Verder lezen? Het boek “Terug naar Japan” is hier te bestellen!

Meer over Anne vind je op haar homepage en Instagram. En binnenkort komt er hier op Japan Fans ook een interview met Anne! Heb jij ook een vraag aan haar? Plaats deze dan in onze Facebookgroep of mail ‘m naar Martine.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *