Interview met Anne Sey

In deze wereld word je aangesproken op een label – wat doe je en in welk hokje pas je? Maar die hokjes zijn te beperkt voor Anne Sey. “Ik maak keramiek, ik reis graag, ik ben gek op Japan, ik lees veel… ik heb nu toevallig een boek geschreven en werk aan een tweede boek. Soms heb ik tijden dat ik me meer op de keramiek richt, soms iets meer op het schrijven, het hangt ervan af hoe mijn stemming is.” Een interview met de inspirerende schrijfster van “Terug naar Japan“.

Japan

“Als kind was ik gek op verre landen – hoe dat komt kan ik niet verklaren! Andere kinderen zijn misschien gek op dieren of op ponyrijden of op knutselen… maar ik had iets met ‘ver weg’ en zo ‘exotisch’ mogelijk. Op mijn 12e ben ik begonnen met judo en dat was mijn eerste aanraking met Japan. Je gi, je obi, de rituelen van op een bepaalde manier zitten en elkaar begroeten en natuurlijk alle Japanse woordjes die je leert. Die woordjes kwamen in een speciaal schriftje, want dat vond ik erg leuk en fascinerend. Die cultuur leek me zo anders dan alles wat ik kende. Op mijn 14e kreeg ik een boek cadeau – Reisen in Nippon : Berichte deutscher Forscher des 17. u. 19. Jahrhunderts aus Japan – met de reisverhalen van drie Duitsers die het gelukt was om in het gesloten Japan te reizen en in contact te komen met de cultuur en de geschiedenis. Dat fascineerde mij, vooral omdat Japan destijds nog zo gesloten was en het zo moeilijk was om er überhaupt binnen te komen, laat staan om er dan ook nog contacten te leggen. We weten allemaal hoe ingewikkeld dat geweest is, twee à drie eeuwen geleden, en dat het die drie reizigers dan toch gelukt is om zoveel kennis te vergaren… dat sprak tot mijn verbeelding. En het speurwerk sprak me ook enorm aan.  Na het stuklezen van dat boek ben ik begonnen alles wat los en vast zit over Japan te bestuderen, dat wil zeggen, alles wat ik in handen kon krijgen [in de toenmalige DDR, red]. En daarna heb ik besloten dat ik Japankunde wilde studeren en dat heb ik ook kunnen doen. Zo is mijn liefde voor Japan ontstaan.” 

Terug naar Japan

“Sinds mijn studie Japankunde en mijn promotieonderzoek over Japan – ik ben bedrijfskundige – ben ik heel vaak in Japan geweest. Zo heb ik er bijvoorbeeld gedoken voor een onderwater-opgraving. Eigenlijk probeer ik er elk jaar even heen te gaan. Ik vond het steeds fijn om in Japan te zijn, maar toch bleef er alsmaar iets knagen: ik wou dat ik het land had kunnen zien zoals het in mijn dromen was. Het land van twee of drie eeuwen geleden, zonder toeristen, met alle tempelcomplexen nog intact. En de oude woningen en kastelen, voordat die op de meest gekke manieren verbouwd werden. Het oude Edo had ik echt willen zien – heel graag! En dat idee bleef knagen. Nu loop je misschien door musea en galerieën, dat is mooi, maar wel op een afstand. Het is zoeken naar de Romantische droom van het Japan van ooit. Dus de laatste keer dat ik ging, had ik een vooropgezet plan: ik zou naar Japan gaan om te zoeken naar sporen van ‘toen’, van de tijd waarin de eerste Westerlingen een voet aan Japanse wal gezet hebben. Door op plekken te komen waar zij geweest zijn en de landschappen te zien die zij hebben beschreven. Ik hoopte op gebeurtenissen en ontmoetingen op datgene wat ik als veertienjarige las en de voorstellingen die ik me daarbij gemaakt had. Met die bril op ging ik terug naar Japan.”

“De straaten loopen kruysweegs over een, met zo veel geschiktheid als de gesteldheid der grond het kan toelaten.”  (Engelbert Kaempfer, geneesheer en natuurvorser in dienst van de VOC in Japan tussen 1690-1692)

“Het was leuk om daar rond te fietsen, met een doel, een plan. Daardoor ging ik nog intensiever kijken, luisteren en ervaren. Door mijn zoekopdracht werd het een andere ervaring dan er vrijblijvend naartoe gaan. Het was natuurlijk een volstrekt vergezocht idee, om twee, drie eeuwen terug te willen gaan in de tijd. En – hand op mijn hart – de vraag is wel of ik daar serieus rond had willen lopen, toen… tegen het einde van de 18e eeuw zijn daar de meest verschrikkelijke hongersnoden geweest, met allerlei conflicten tussen de bevolkingsgroepen, onder het juk van een heel hard, nietsontziend regime. Als we nu denken aan het Japan van toen denken we misschien aan de theeceremonie en aan de prachtige tuinen en de kalligrafie – allemaal van die poëtische, zachtmoedige uitingen van kunst en ambacht. Tsja, dat is natuurlijk ook prachtig, maar het is slecht een heel klein elementje van die wereld. Ik denk dat het toen voor de meeste mensen een kwestie van overleven was. En tóch denk ik dat ik het wel had willen zien. Zien. Niet beleven. Ik ben weliswaar een Japangek en gek genoeg, maar ook realistisch genoeg om te weten dat ik daar niet had kunnen leven. Ik zou er nooit geaccepteerd zijn en ik had er niet kunnen aarden. Maar ik had er best even kunnen zijn, als een reiziger, zoals Von Siebold in zijn draagstoel. Alleen ging ik dus op mijn fiets.”

“Ik fiets heel veel en elke zomervakantie maak ik wel een grote fietstocht van een paar weken lang, met veel bagage achterop gebonden. Dus het fietsen, dat zat er al wel in, maar fietsen in Japan is echt van een andere orde! Dat vond ik hartstikke spannend, alleen al de kwestie van je fiets daarheen zien te krijgen bleek een crime. En dan je weg vinden de steden uit – ook als je Japans spreekt en leest is dat nog steeds lastig. Vervolgens zat ik regelmatig in angst om platgereden te worden door vrachtwagens… en was het elke keer opnieuw een uitdaging om een logeerplek te vinden. Maar juist dat zijn ook de leuke dingen geweest, achteraf. Binnen een halve dag had ik het vertrouwen: dit gaat goed komen. Zolang je maar gezond blijft kun je alles doen.”     

“… een oneindige verscheidenheid van Planten en vruchten, zo wilde, als geteelde, waar op het met recht roemen mag.” (Engelbert Kaempfer, geneesheer en natuurvorser in dienst van de VOC in Japan tussen 1690-1692)

Schrijven en schrappen

“Voor mijn tweede boek ga ik weer ‘terug naar Japan’, maar dan op een heel andere manier. Het zal gaan over Deshima, een kunstmatig eiland in de baai van Nagasaki, waar destijds de Nederlandse handelszetting bestond. Daar is natuurlijk al heel erg veel over geschreven, alleen is er nog heel weinig geschreven over het dagelijks leven van daar. Ik heb daar veel materiaal over verzameld en daar ben ik nu een boek van aan het maken. Op een leuke en ludieke manier wil ik beschrijven hoe de mensen daar zich hebben gekleed, wat ze aten, naar welke muziek ze luisterden, of ze kunst aan de muren hadden en zo ja, wat voor, wat ze in hun vrije tijd deden… al die dingen. Daar is weinig tot niets over geschreven en leek mij juist een heel leuke puzzel. Ik houd van onderzoek doen, van rechercheren, en ik ben nu bezig met alles wat ik gevonden heb op papier te brengen.”

“Voor mijn eerste boek moest ik veel schrappen en ik heb veel ‘gekillde darlings’ gehad. Zo had ik graag nog veel meer willen vertellen over de culturele achtergronden. Maar als ik dat gedaan had was het meer een antropologisch boek geworden, dat niet weet of het nou een leerboek of een reisverhaal is. Dus achteraf gezien is het goed geweest dat ik de druk gevoeld heb om het in te korten. Hetzelfde geldt voor de regen. Tijdens mijn reis heb ik ontzettend veel regen gehad. Echt heel erg veel. Dat was voor mij aanleiding om iets te schrijven over Japan en hoe zij in hun cultuur omgaan met regen. Er zijn allerlei mythes en rituelen, er is allerhande poëzie, er wordt geschilderd en getekend, er zijn liedjes over… regen druppelt diep door tot de wortels van de Japanse cultuur. Dus daar heb ik veel over geschreven. Te veel. Het maakte het boek onevenwichtig. Door te selecteren werd het boek sterker. Bovendien, doordat ik toen een heel hoofdstuk weggelaten heb – over Deshima – heb ik besloten om dat uit te werken tot een heel nieuw boek. Het schrapwerk levert me nu dus een volgende stap op.”

“Ik mag niet, zoals mijn andere Nederlandse begeleiders, op de paard rijden.” (Gideon Tant, opperhoofd van de Nederlandse handelsnederzetting in Japan tussen 1699-1703)

Keramiek

“Ik heb altijd in de academische wereld gezeten en later ook als strategisch adviseur bij de politie. Dan ben je vooral met je hoofd bezig en je lichaam hangt er ergens bij. Op een gegeven moment kreeg ik de behoefte om meer met mijn handen te werken. Ik ben een fysiek persoon en ik hou verschrikkelijk veel van kunst… dus die combinatie leidde tot keramiek. Vooral draaiwerk, weinig handvormen. Ik ben allerlei cursussen gaan volgen en al vrij snel merkte ik dat mijn glazuren – in vergelijking met die van mijn groepsgenoten – vrij ingetogen waren. Weinig kleur, veel textuur, vaak een beetje abstract. Op een dag zei een cursusleidster spontaan ‘nou, dat is nogal Japans, hè?!’ en dat had ik eigenlijk nog helemaal niet bewust in de gaten gehad. Kennelijk trok dat ingetogen karakter van de Japanse keramiek mij toch heel erg aan.”

“Het is niet zo dat ik probeer ‘iets Japans-achtigs’ te maken, maar ik vind het wel mooi. Wat ik maak ís natuurlijk geen Japanse keramiek, dat zou gek zijn, om dat te beweren of zelf maar ambiëren. Het kan ook praktisch niet, Japanners werken vaak met asglazuren en stoken in een houtoven. De glazuren die typisch Japans zijn komen door hun stooktechnieken, zoals hikidashi guro, waarbij je het werk heet uit de oven haalt – en soms daarna ook nog onderdompelt in koud water. De temperatuurschok heeft gevolgen voor de kleur en de textuur. Het is vergelijkbaar met de ‘Westerse’ manier van raku, maar ouder en onder een veel hogere baktemperatuur. Die effecten krijg ik in mijn moderne elektrische oven niet voor elkaar. Toch zit er misschien wel iets van de essentie in;  ik hou van de rustige uitstraling van Japans keramiek, de sobere afwerking. Laat het bloemetje maar spreken – daar heb je een vaas voor. Dat type keramiek wil ik graag maken.”

“… de Japanners gelooven aan hunne Camïs of goden geen grootere eer te kunnen bewijzen, dan door een voorwerp te offeren, dat zeldzaam of vreemd is.” (Johannes van Overmeer Fisscher, scribus en pakhuismeester van de Nederlandse handelsnederzetting in Japan tussen 1820-1829)

よちよち

Warm, kalm en bescheiden vertelt Anne over haar leven en werken. Ik moet glimlachen als ze vertelt over haar lievelingswoord: “Yochi-Yochi. Dat is de beweging van een schildpad. Met ‘日本語は上手ですね’ [Nihongo wa jōzudesune, je bent goed in Japans] reageren veel Japanners als ze een buitenlander Japans horen spreken, zelfs als het maar een paar woordjes zijn. Soms is dit eenvoudig hun (veilige) manier om een gesprek te beginnen, zoals “Hallo, aangenaam kennis te maken”. En soms ook echte verbazing dat je de taal spreekt, zelfs als het maar een paar woordjes zijn. Want zelf spreken ze in zoveel gevallen geen buitenlandse taal, en dan waarderen ze dat jij wel een buitenlandse taal spreekt. Of ze vinden dat Japans eigenlijk te moeilijk is voor een buitenlander om te kunnen leren.”

“Hoe dan ook, in zo’n situatie, die waarschijnlijk veel mensen herkennen die (een beetje) Japans spreken, reageer ik dan vaak met: よちよち歩きです [yochiyochi arukidesu]. Letterlijk “het zijn maar stapjes als van een schildpad’. Vrij vertaald, ‘nou, mijn Japans stelt niet veel voor, maar ik doe mijn best om die onder de knie te krijgen, en trouwens ik weet dat u mij maar wilt vleien…’. Dat vinden Japanners heel grappig en moeten er vaak om lachen. Ook omdat die uitdrukking nou juist heel goed Japans is.”

Wat me opvalt – naast haar bescheidenheid – is haar innerlijke rust. Gestaag bouwt ze op haar eigen manier bruggen tussen de drie culturen waarin ze zich bevindt. Op de vraag van één van de Japan Fans wat haar lievelingseten is, heeft ze dan ook drie antwoorden. “Mijn Duitse lievelingseten is Kartoffelpuffer, mijn Nederlandse – erwtensoep. En mijn Japanse is paling.” Maar niet gerookt, zoals de Nederlanders en de Duitsers doen, “…gegrild en op een bedje rijst”. 


In dit blogje lees je een hoofdstuk uit Anne’s boek “Terug naar Japan” – hier te bestellen! – en meer over Anne vind je op haar homepage, haar Facebook en haar Instagram accounts. Binnenkort komt er hier op Japan Fans ook een virtuele expositie van Anne’s keramiek.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *